Darmmicrobioom bij een lage of hoge schildklierwerking
Onderzoeken naar het darmmicrobioom bij hypothyreoïdie en hyperthyreoïdie hebben verschillen in bacteriële samenstelling beschreven. De uitkomsten lopen uiteen tussen studies en personen. Factoren zoals voeding, medicatie, de oorzaak van de schildklieraandoening en de gebruikte analysemethode maken vergelijking lastig. Er is geen specifiek bacterieprofiel dat op zichzelf een diagnose kan stellen.
Hypothyreoïdie
Bij hypothyreoïdie kan een tragere darmtransit bijdragen aan obstipatie en andere spijsverteringsklachten. Sommige studies vinden verschillen in de relatieve hoeveelheden van bepaalde bacteriegroepen, maar de bevindingen zijn niet consistent genoeg om een kenmerkende microbiële signatuur vast te stellen. Ook is niet aangetoond dat zulke verschillen de oorzaak zijn van vermoeidheid, gewichtstoename of de schildklieraandoening zelf.
Hyperthyreoïdie
Een verhoogde schildklierwerking kan samengaan met een snellere darmtransit, diarree of veranderingen in de spijsvertering. Ook bij hyperthyreoïdie zijn in studies verschillen in het microbioom gemeld, maar er is geen eenduidig patroon dat voor alle patiënten geldt. De klachten en microbiële veranderingen kunnen met de schildklierwerking samenhangen zonder dat één rechtstreeks de andere veroorzaakt.
De bacteriën en hun stofwisselingsproducten, waaronder korteketenvetzuren, worden onderzocht vanwege mogelijke rollen in de darmomgeving en immuunfunctie. Het is nog niet duidelijk of de waargenomen veranderingen klinisch belangrijk zijn of hoe ze zich verhouden tot schildklierziekten.